Het begrijpen van het juridische kader rondom autorijden in Nederland is essentieel voor het slagen van het CBR theorie-examen. Dit artikel behandelt alles: van je rijbewijs en verplichte documenten tot verzekeringen, alcohol- en drugstesten, en de volledige begrippenlijst die je op het examen kunt tegenkomen.
Wettelijke Bepalingen
Rijbewijs Categorie B
Met een rijbewijs categorie B mag je een vierwielig motorvoertuig besturen met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3.500 kg, ingericht voor het vervoer van maximaal 8 passagiers (de bestuurder wordt niet meegerekend).
Je rijbewijs moet worden vernieuwd:
- Elke 10 jaar onder normale omstandigheden
- Elke 5 jaar zodra je de leeftijd van 70 jaar of ouder bereikt
De verloopdatum staat op het rijbewijs zelf vermeld. Zodra je rijbewijs is verlopen, mag je niet meer rijden.
Schakel- versus automaat
Als je je praktijkexamen in een automaat hebt afgelegd, is je rijbewijs beperkt tot automaten β je mag geen schakelauto besturen. Heb je het examen echter in een schakelauto gedaan, dan mag je zowel schakel- als automatische voertuigen besturen.
Bromfietsrijbewijs (AM)
Categorie AM wordt automatisch meegeleverd bij een rijbewijs categorie B. Hiermee mag je rijden op:
- Bromfietsen en scooters
- Speed-pedelecs
- Snorfietsen (maximaal 25 km/u)
- Brommobielen
Een apart examen is niet nodig.
2toDrive β Rijden vanaf 17 jaar
Het 2toDrive-programma stelt jongeren in staat eerder te beginnen met het rijbewijstraject en onder begeleiding ervaring op te doen:
| Leeftijd |
Wat je kunt doen |
| 16 |
Het theorie-examen afleggen (certificaat 1,5 jaar geldig) |
| 16Β½ |
Beginnen met rijlessen bij een instructeur |
| 17 |
Het praktijkexamen afleggen |
| 17β18 |
Rijden onder begeleiding van een goedgekeurde coach (bijv. een ouder) |
| 18 |
Zelfstandig rijden |
Je kiest zelf je coach, mits deze aan de officiΓ«le eisen voldoet.
Puntenrijbewijs
Elke bestuurder in Nederland heeft een puntenrijbewijs. Het doel hiervan is het tegengaan van rijden onder invloed.
Hoe het systeem werkt:
- Een veroordeling voor rijden met te veel alcohol levert je één strafpunt op, dat 5 jaar op je rijbewijs blijft staan.
- Een tweede veroordeling voor rijden onder invloed binnen die 5 jaar levert opnieuw een punt op (ook 5 jaar geldig).
- Direct rijbewijsverlies treedt op als je wordt betrapt met een bloedalcoholgehalte boven 1,3 β° (promille) terwijl je al een strafpunt op je rijbewijs hebt staan. Je moet dan je rijbewijs opnieuw halen.
Beginnersrijbewijs
Gedurende de eerste 5 jaar na het behalen van je rijbewijs heb je een beginnersrijbewijs. De overheid gebruikt dit mechanisme om onverantwoordelijke nieuwe bestuurders strenger aan te pakken.
Een beginnende bestuurder verzamelt strafpunten voor ernstige verkeersovertredingen. Na twee veroordelingen voor zware overtredingen moet het beginnersrijbewijs worden ingeleverd bij de politie.
Voorbeelden van overtredingen die strafpunten opleveren:
- Het veroorzaken van een verkeersongeval
- Het veroorzaken van gevaar of hinder
- Bumperkleven bij een snelheid boven 80 km/u
- Meer dan 40 km/u te hard rijden op een autosnelweg
- Meer dan 30 km/u te hard rijden op een andere weg
Let op: Je krijgt geen nieuw beginnersrijbewijs als je al een rijbewijs in een andere categorie hebt, een categorie toevoegt aan een bestaand rijbewijs, of een buitenlands rijbewijs inwisselt voor een Nederlands rijbewijs.
Verplichte Documenten Tijdens het Rijden
Als je in Nederland achter het stuur zit, moet je twee documenten bij je hebben β en het moeten originelen zijn, geen kopieΓ«n:
- Je rijbewijs
- Het kentekenbewijs
Je hoeft niet bij je te hebben:
- Het APK-keuringsrapport
- Een groene kaart (internationaal verzekeringsbewijs)
- Een Europees schadeformulier
Voertuigverzekering
Een autoverzekering is verplicht in Nederland β zelfs als de auto geparkeerd staat en niet wordt gebruikt. De RDW controleert of elk geregistreerd voertuig verzekerd is. Rijden of het bezit van een onverzekerde auto kan leiden tot een boete.
De enige manier om aan de verzekeringsplicht te ontkomen is het schorsen van je kenteken, wat alleen mogelijk is als het voertuig niet op de openbare weg geparkeerd staat.
Er zijn drie niveaus van dekking:
| Type |
Wat het dekt |
| WA (Wettelijke Aansprakelijkheid) |
Schade die je veroorzaakt aan andere weggebruikers. Dit is het wettelijke minimum. |
| WA+ (WA + beperkt casco) |
Alles wat WA dekt, plus gedeeltelijke dekking voor schade aan je eigen voertuig (bijv. diefstal, storm, brand). |
| Allrisk (volledig casco) |
Alle schade, inclusief schade aan je eigen auto ongeacht schuld. |
De Groene Kaart
De groene kaart is een internationaal verzekeringsbewijs. In Nederland en de meeste EU/EER-landen is het niet verplicht om er een bij je te hebben. Het is echter sterk aan te raden omdat alle verzekeringsgegevens erop vermeld staan in een internationaal erkend formaat. De geldigheidsduur staat vermeld op de kaart en komt doorgaans overeen met de looptijd van je verzekeringspolis.
Wegenbelasting (Motorrijtuigenbelasting)
Elke voertuigeigenaar moet wegenbelasting betalen. Het bedrag hangt af van vier factoren:
- Brandstoftype (benzine, diesel, elektrisch, enz.)
- Milieubelasting (hoe vervuilend het voertuig is)
- Gewicht van het voertuig
- Provincie waar de geregistreerde eigenaar woont
Wegenbelasting moet worden betaald, zelfs zonder geldig APK-certificaat β zolang de registratie actief is.
Kentekenbewijs en Kentekencard
Elk voertuig in Nederland heeft een kentekenbewijs. Sinds 1 januari 2014 geeft de RDW de kentekencard af β een versie in creditcardformaat.
Je moet het kentekenbewijs altijd bij je hebben in het voertuig tijdens het rijden. De kaart vermeldt:
- De gegevens van de kentekenhouder
- De technische specificaties van het voertuig
Samen met de kentekencard ontvang je ook een tenaamstellingscode. Deze code is nodig wanneer het voertuig van eigenaar wisselt.
Let op: Bij oudere papieren kentekenbewijzen is er geen digitale tenaamstellingscode. In plaats daarvan bevatten deze een overschrijvingsbewijs, dat dezelfde functie vervult bij eigendomsoverdracht.
Verkeersmisdrijven versus Overtredingen
Het Nederlandse recht maakt onderscheid tussen twee categorieΓ«n strafbaar gedrag op de weg:
|
Overtredingen |
Misdrijven |
| Ernst |
Lichtere feiten |
Ernstige feiten |
| Strafblad |
Nee |
Ja |
Voorbeelden van overtredingen:
- Door rood licht rijden
- Fout parkeren
- Te hard rijden
Voorbeelden van misdrijven:
- Rijden onder invloed van middelen waarvan je weet of redelijkerwijs kunt weten dat ze de rijvaardigheid beΓ―nvloeden
- Doorrijden na een ongeval (hit-and-run)
- Joyriding β rijden in andermans voertuig zonder toestemming van de eigenaar
Rijverbod versus Rijontzegging
Deze twee maatregelen worden vaak verward, maar verschillen aanzienlijk:
Rijverbod
Tijdens een rijverbod mag je geen enkel voertuig besturen β ook geen fiets. Een rijverbod duurt maximaal 24 uur.
Rijontzegging (ontzegging van de rijbevoegdheid)
Een rijontzegging verbiedt je om gedurende een bepaalde periode motorvoertuigen te besturen (inclusief bromfietsen en snorfietsen). Een rijontzegging kan worden opgelegd voor:
- Het veroorzaken van gevaar of hinder
- Rijden onder invloed
- Het verlaten van de plaats van een ongeval
- Rijden tijdens een rijverbod
Alcoholcontrole
Je bent verplicht mee te werken aan een alcoholcontrole. De procedure werkt als volgt:
- Blaastest langs de weg β een voorlopige screening.
- Als je weigert of het resultaat positief is, kan de politie een ademanalyse op het bureau bevelen.
- Je moet meewerken aan de ademanalyse, tenzij een medische aandoening je daar daadwerkelijk van weerhoudt.
- Het weigeren van een ademanalyse is een misdrijf. Religieuze overtuigingen zijn geen geldige reden om te weigeren.
Drugscontrole
Medewerking aan een drugscontrole is verplicht. De procedure:
- Langs de weg wordt een speekseltest afgenomen.
- Als de speekseltest positief is, wordt de verdachte meegenomen naar het politiebureau voor een bloedonderzoek.
- Het bloedonderzoek stelt nauwkeurig vast welke stoffen aanwezig zijn en in welke concentratie.
- De uitslag van het bloedonderzoek bepaalt of de bestuurder een strafbaar feit heeft gepleegd.
Weigeren mee te werken aan de speekseltest of het bloedonderzoek is een misdrijf.
Straffen voor Rijden Onder Invloed
Rijden onder invloed is een misdrijf. Straffen en maatregelen variΓ«ren naar gelang de ernst en kunnen omvatten:
- Een rijverbod opgelegd door de politie (maximaal 24 uur)
- Een forse boete, taakstraf of gevangenisstraf van maximaal 1 jaar
- Een verplichte cursus bij het CBR (educatieve maatregel)
- Een rijontzegging van maximaal 5 jaar, opgelegd door de rechter
Educatieve Maatregelen
Het CBR kan een verplicht educatief programma opleggen aan bestuurders die ernstige verkeersovertredingen begaan of onder invloed rijden. Deze maatregel komt bovenop de straf van de officier van justitie of de rechter. De bestuurder moet de cursus zelf betalen. Het niet voltooien van de cursus leidt tot verlies van het rijbewijs.
Er zijn vijf educatieve maatregelen:
1. LEMA β Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer
Doel: Voorkomen dat je opnieuw onder invloed gaat rijden.
Wordt opgelegd wanneer een bestuurder wordt betrapt met de volgende ademalcoholgehaltes:
| Type bestuurder |
Ademalcohol (ΞΌg/l) |
Bloedalcohol (β°) |
| Beginnend bestuurder |
220 β 350 |
0,5 β 0,8 |
| Ervaren bestuurder |
350 β 435 |
0,8 β 1,0 |
Let op: Dit zijn drempelwaarden voor CBR-maatregelen (LEMA/EMA), niet de basis-wettelijke alcohollimieten. De wettelijke limiet is 0,2 β° voor beginnende bestuurders en 0,5 β° voor ervaren bestuurders. De status van beginnend bestuurder duurt meestal 5 jaar, maar in sommige gevallen 7 jaar.
2. EMA β Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer
Een zwaardere maatregel dan de LEMA. Kan worden opgelegd aan:
Beginnende bestuurders die:
- Worden aangehouden met een ademalcoholgehalte van 350 β 570 ΞΌg/l (0,8 β 1,3 β°)
- In de afgelopen 5 jaar tweemaal zijn aangehouden voor rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte boven 0,2 β°
- Weigeren mee te werken aan een alcoholcontrole
Ervaren bestuurders die:
- Worden aangehouden met een ademalcoholgehalte van 435 β 785 ΞΌg/l (1,0 β 1,8 β°)
- In de afgelopen 5 jaar tweemaal zijn aangehouden voor rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte boven 0,5 β°
- Weigeren mee te werken aan een alcoholcontrole
3. LEMG β Lichte Educatieve Maatregel Gedrag (vanaf 01-04-2023)
Bedoeld voor bestuurders die de maximumsnelheid met 50 tot 60 km/u overschrijden (of 30 tot 60 km/u bij wegwerkzaamheden). Dit zijn vaak jongere bestuurders die forse snelheidsovertredingen begaan.
4. EMG β Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer
Geldt voor zowel beginnende als ervaren bestuurders. Bedoeld voor wie bijvoorbeeld:
- Meer dan 60 km/u te hard rijdt
- Rechts inhalen
- Meerdere overtredingen in één rit begaat β zoals bumperkleven, afsnijden of door rood rijden
5. EMD β Educatieve Maatregel Drugs (vanaf 01-04-2023)
Bedoeld voor bestuurders die worden aangehouden voor rijden onder invloed van drugs. Als de bestuurder in de afgelopen 5 jaar al eerder is aangehouden vanwege drugsmisbruik in het verkeer, volgt eerst een geschiktheidsonderzoek. Als daaruit blijkt dat de bestuurder geschikt is, wordt alsnog de EMD opgelegd.
Doorzoeken van Voertuigen door de Politie
Een politieagent is bevoegd om je voertuig te doorzoeken als er redenen zijn om de aanwezigheid te vermoeden van:
- Wapens
- Gestolen goederen
- Bewijsmateriaal in verband met een strafrechtelijk onderzoek
Begrippenlijst voor het CBR Examen
De volgende begrippen kunnen voorkomen op het CBR theorie-examen. Het is essentieel dat je elk begrip begrijpt. Ze zijn per categorie gegroepeerd om het studeren te vergemakkelijken.
Voertuigen en Voertuigtypen
Landbouwvoertuig β Een voertuig gebouwd voor agrarische taken, zoals een tractor, maaimachine of landbouwaanhanger.
Ambulance β Een motorvoertuig ingericht en bestemd voor het vervoer van zieke of gewonde personen naar medische voorzieningen, bemand door ambulancepersoneel.
Dierenambulance β Een motorvoertuig ingericht en bestemd voor het vervoer van zieke of gewonde dieren.
Fiets met trapondersteuning β Een fiets voorzien van een elektrische hulpmotor (max. 0,25 kW continu vermogen) waarvan de ondersteuning stopt bij 25 km/u of wanneer de fietser ophoudt met trappen.
Autobus β Een motorvoertuig ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen (de bestuurder niet meegerekend).
Touringcar β Een groot motorvoertuig voor langeafstandsvervoer van passagiers, zoals rondreizen, chartervluchten of intercityverbindingen.
Bedrijfsauto β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel h, van de Regeling voertuigen.
Gehandicaptenvoertuig β Een voertuig aangepast voor het vervoer van een persoon met een beperking, niet breder dan 1,10 m, zonder motor of met een motor waarvan de maximumsnelheid niet meer dan 45 km/u bedraagt. Het is geen bromfiets.
Voorrangsvoertuig β Een motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert zoals beschreven in artikel 29 van de verkeersregels β bijvoorbeeld politiewagens, brandweerwagens en ambulances.
Brandweerwagen β Een hulpverleningsvoertuig speciaal ingericht voor brandbestrijding, uitgerust met water, slangen, ladders en ander blusmateriaal.
Vrachtauto β Een motorvoertuig niet ingericht voor personenvervoer, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg.
Vrachtwagen β Een groot motorvoertuig voor het transport van goederen of lading.
Brommobiel β Een bromfiets op meer dan twee wielen, voorzien van een carrosserie die de bestuurder omsluit.
Bromfiets β Een motorvoertuig (2, 3 of 4 wielen) met een maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/u, uitgerust met een verbrandingsmotor van max. 50 cc of een elektromotor van max. 4 kW continu vermogen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig. Een voertuig dat op het kentekenbewijs als bromfiets staat geregistreerd, wordt altijd als bromfiets beschouwd.
Snorfiets β Een bromfiets waarvan uit de registratie blijkt dat de maximumsnelheid niet meer dan 25 km/u bedraagt.
Brombakfiets β Een driewielige bromfiets met twee voorwielen (diameter > 0,40 m), uitsluitend ingericht voor vervoer van de bestuurder, goederen en eventueel één achterpassagier.
Motorfiets β Een motorvoertuig op twee wielen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen.
Motorvoertuig / Motorrijtuig β Alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te rijden. In bredere juridische zin (motorrijtuigen): alle voertuigen voortbewogen door mechanische kracht, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning.
Personenauto β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel at, van de Regeling voertuigen.
Politieauto β Een gemarkeerd voertuig dat door de politie wordt gebruikt voor surveillance, verkeerscontrole en noodsituaties.
Veegwagen β Een gespecialiseerd voertuig met borstels en zuigmechanisme voor het schoonmaken van wegdekken.
Lijnbus β Een motorvoertuig gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet Personenvervoer 2000.
Speed-pedelec β Een elektrische fiets met een krachtige motor die snelheden tot 45 km/u op de rijbaan kan bereiken; veel gebruikt voor langere woon-werkafstanden.
T100-bus β Een autobus waarvan uit het kentekenbewijs of het register blijkt dat hij is ingericht voor een maximumsnelheid van 100 km/u. Gelijkwaardige status geldt voor bussen geregistreerd in andere EU/EER-lidstaten met passende documentatie.
Driewielig motorvoertuig β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel q, van de Regeling voertuigen.
Tractor β Een gespecialiseerd voertuig voor agrarisch werk, doorgaans met grote achterwielen en koppelingen voor landbouwwerktuigen.
Aanhangwagen β Een voertuig bestemd om door een ander voertuig te worden voortbewogen, inclusief opleggers.
Bestelauto β Een motorvoertuig bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3.500 kg.
Voertuigen β Fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
Weginfrastructuur en Markeringen
Invoegstrook β Een door blokmarkering van de doorgaande rijbaan gescheiden weggedeelte, bedoeld voor bestuurders die snelheid opbouwen voordat ze invoegen in het doorgaande verkeer.
Bebouwde kom β Een gebied met een hoge concentratie van gebouwen, aangegeven door H1-borden bij de ingang, waar lagere snelheidslimieten gelden.
Busstrook β Een gedeelte van de rijbaan gemarkeerd met doorgetrokken of onderbroken strepen en voorzien van het woord "BUS" of "LIJNBUS", gereserveerd voor busverkeer.
Busbaan β Een afzonderlijke verkeersroute aangegeven met het woord "BUS" of "LIJNBUS".
Bushalte β Een aangewezen locatie langs een busroute waar passagiers in- en uitstappen.
Rijbaan β Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van voetpaden en fiets-/bromfietspaden.
Afgesloten rijstrook β Een rijstrook die tijdelijk niet beschikbaar is voor verkeer, bijvoorbeeld vanwege wegwerkzaamheden, ongevallen of evenementen.
Doorgaande rijbaan β De hoofdrijbaan zonder invoeg- en uitrijstroken.
Fietsstrook β Een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop fietsafbeeldingen zijn aangebracht, bestemd voor fietsers.
Uitrijstrook β Een door blokmarkering van de doorgaande rijbaan gescheiden weggedeelte, bedoeld voor bestuurders die het doorgaande verkeer verlaten en vaart minderen.
Puntstuk β Een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen.
Splitsing β Een punt waar een weg zich in twee of meer takken verdeelt, waarbij de bestuurder een richting moet kiezen.
Haaientanden β Voorrangsdriehoeken op het wegdek die aangeven dat je voorrang moet verlenen.
Vluchthaven / Vluchtstrook β Een verhard gedeelte langs de rand van een autosnelweg of autoweg, afgescheiden door een doorgetrokken streep, uitsluitend bestemd voor noodgevallen β behalve tijdens openstelling als spitsstrook.
Verdrijvingsvlak β Diagonale strepen op de rijbaan die gebieden markeren waar inhalen, stoppen of van rijstrook wisselen verboden of beperkt is.
Hectometerbordje β Een wegmarkering die elke 100 m langs snelwegen wordt geplaatst. Bij een ongeval helpt de informatie op het bordje de hulpdiensten om de locatie nauwkeurig vast te stellen.
Kruispunt β Een punt waar twee of meer wegen kruisen of samenkomen, vaak geregeld door verkeerslichten, borden of rotondes.
Overweg β Een kruising van een weg met een spoorweg, aangeduid door bord J12 of J13.
Doorgaande rijbaan β De rijstroken voor doorgaand verkeer op een autosnelweg, zonder invoeg- en uitrijstroken.
Autoweg β Een weg aangeduid door bord G3. Langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushaltes maken geen deel uit van de autoweg.
Autosnelweg β Een meerstrooksweg met hoge snelheidslimieten, aangeduid door bord G1, met gecontroleerde toegang. Aangrenzende parkeerplaatsen, tankstations en bushaltes maken geen deel uit van de autosnelweg.
Eenrichtingsstraat β Een straat waar al het verkeer in één richting moet rijden, aangegeven door borden en wegmarkeringen.
Parkeerhaven / Parkeerstrook β Een verharde strook langs de rijbaan bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen.
Parkeerterrein β Een terrein bestemd voor het parkeren van meerdere voertuigen, meestal nabij gebouwen of openbare voorzieningen.
Voetgangersoversteekplaats (Zebrapad) β Een gemarkeerde oversteekplaats waar voetgangers en gehandicaptenvoertuigen veilig de weg kunnen oversteken.
Voorrangskruispunt β Een kruispunt waar één weg voorrang heeft op een andere, aangegeven door borden of markeringen.
Wegkanten β De aflopende randen van een rijbaan.
Wegversmalling β Een gedeelte waar de wegbreedte afneemt, waardoor bestuurders vaart moeten minderen of voorrang moeten verlenen aan tegemoetkomend verkeer.
Wegdek β De toplaag van een weg β doorgaans asfalt, beton of grind β die een duurzaam rijoppervlak biedt.
Turborotonde β Een meerstrooksrotonde met spiraalvormige rijstrookmarkeringen die bestuurders dwingen vooraf de juiste rijstrook voor hun afslag te kiezen, wat de doorstroming verbetert.
Spitsstrook β De vluchtstrook die tijdens piekuren als extra rijstrook wordt opengesteld, aangegeven door bord C23-01.
Verkeersdrempel β Een verhoogd gedeelte van de weg om voertuigen af te remmen, vaak gebruikt in woonwijken en bij scholen.
Rijstrook β Een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan, breed genoeg voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.
Erf (Woonerf) β Een verblijfsgebied binnen de bebouwde kom waar voetgangers voorrang hebben over de volle breedte en kinderen op straat mogen spelen. Maximumsnelheid: 15 km/u.
Verkeersconcepten en -regels
Onderbroken streep β Een gestreepte wegmarkering die over het algemeen van rijstrook wisselen en inhalen toestaat.
Verplichte rijrichting β De verplichte richting die een bestuurder moet volgen, vaak aangegeven door borden of wegmarkeringen.
Overstekende kinderen β Een verkeerssituatie waarbij kinderen de weg oversteken, met name bij scholen, waar extra voorzichtigheid van bestuurders vereist is.
Wegrijden β Vertrekken van een locatie met het voertuig, zoals het verlaten van een parkeerplaats.
Volgafstand β De veilige ruimte (gemeten in seconden of autolengtes) die je aanhoudt achter het voertuig voor je, zodat je voldoende reactietijd hebt.
Uitvaartstoet β Een colonne van motorvoertuigen die een overledene begeleidt naar een begraafplaats of crematorium, met vastgestelde herkenningstekens. Bijzondere verkeersregels kunnen van toepassing zijn.
Voorsorteerstrook β Je voertuig op de juiste rijstrook positioneren als voorbereiding op een afslag, uitrit of samenvoegen.
Voorrang verlenen β Andere bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen.
Bestemmingsverkeer β Bestuurders wier bestemming ligt aan of direct naast een weg die voor bepaalde categorieΓ«n voertuigen is afgesloten, en die alleen via die weg bereikbaar is. Inclusief lijnbussen.
Maximumsnelheid β De hoogst toegestane snelheid op een bepaalde weg, vastgelegd in verkeersregels.
Samenvoegen (Invoegen) β Het samenkomen van twee of meer rijstroken tot één, wat soepele samenwerking tussen bestuurders vereist.
Militaire kolonne β Een groep militaire of hulpverleningsvoertuigen onder één commandant, voorzien van vastgestelde herkenningstekens.
Minimumsnelheid β De laagst toegestane snelheid op een bepaalde weg, bedoeld om een veilige verkeersstroom te handhaven.
Geslotenverklaring β Een bord dat aangeeft dat het verboden is een weg in te rijden of te gebruiken.
Doorgaand verkeer verboden β Een aanduiding dat toegang tot de weg verboden is en de weg niet mag worden bereden of betreden.
Parkeren β Het stilzetten en achterlaten van een voertuig voor een ander doel dan het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het laden of lossen van goederen.
Adviessnelheid β Een aanbevolen (niet verplichte) snelheid voor veilig rijden op een bepaald traject, aangegeven door adviesborden.
Verkeer β Alle weggebruikers gezamenlijk.
Weggebruikers β Voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen of trams, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van bespannen of onbespannen wagens.
Spitsuur β Perioden met het drukste verkeer op de wegen.
Rechtdoor β In voorwaartse richting blijven rijden zonder af te slaan.
Verkeersregelaar β Een persoon die verkeer regelt als onderdeel van zijn/haar beroep, in tegenstelling tot een transportbegeleider of evenementenverkeersregelaar die eenvoudige verkeersregelende taken verricht.
Filevorming β Een situatie waarbij de verkeersstroom aanzienlijk vertraagd of stilgevallen is, veroorzaakt door drukte, ongevallen, wegwerkzaamheden of slecht weer.
Zone β Een gebied waar specifieke verkeersregels gelden (bijv. snelheidslimieten, parkeerbeperkingen of milieuzones), doorgaans aangegeven door borden bij in- en uitgang.
Voertuigonderdelen, Veiligheid en Onderhoud
ABS (Anti-blokkeer systeem) β Een veiligheidssysteem dat voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens hard remmen, waardoor de bestuurder stuurcontrole behoudt.
Fietsdrager β Een rek gemonteerd op een voertuig (meestal achterop of op het dak) voor het transporteren van fietsen.
Dode hoek β Een gebied rond een voertuig dat niet zichtbaar is via spiegels of direct zicht, wat een gevaar vormt bij het wisselen van rijstrook of afslaan.
Remweg β De afstand die een voertuig aflegt vanaf het moment dat de remmen worden ingedrukt tot het moment dat het voertuig volledig stilstaat.
Cruise control β Een elektronisch systeem dat een door de bestuurder ingestelde constante snelheid handhaaft.
Dashboard β Het paneel vΓ³Γ³r de bestuurder met instrumenten zoals snelheidsmeter, brandstofmeter en waarschuwingslampjes.
Dagrijlicht β Verlichting die automatisch inschakelt tijdens het rijden overdag om het voertuig beter zichtbaar te maken.
Dimlicht β Koplampen met een laag lichtbundel die de weg verlichten en tegelijkertijd verblinding van tegenliggers minimaliseren.
Motorolie β Smeermiddel voor verbrandingsmotoren dat wrijving vermindert, warmte afvoert en onderdelen beschermt tegen slijtage.
Mistlampen β Laag gemonteerde lampen aan de voorzijde van een voertuig die een brede, vlakke lichtbundel uitstralen voor beter zicht bij mist, met minimale verblinding.
Groot licht β De krachtigste stand van de koplampen, die ver vooruit schijnt; alleen gebruiken als er geen verkeer voor je is, om verblinding te voorkomen.
Richtingaanwijzer β Een knipperend licht op een voertuig dat de intentie van de bestuurder aangeeft om af te slaan, van rijstrook te wisselen of in te voegen.
Kentekenplaat β Een plaat met een unieke registratiecode toegewezen door de autoriteiten ter identificatie.
Parkeerschijf β Een klein klokachtig apparaat op het dashboard dat aangeeft wanneer het parkeren is begonnen, gebruikt in zones met parkeertijdbeperking.
Achter-mistlicht β Fel rood licht aan de achterkant van een voertuig, ingeschakeld bij mist of zware regen om zichtbaar te zijn voor achterliggend verkeer.
Reflector β Een apparaat of materiaal dat licht weerkaatst en de zichtbaarheid bij nacht verbetert; gebruikt op voertuigen, borden en wegbebakening.
Toerental (RPM) β Het aantal omwentelingen per minuut van de krukas, weergegeven op de toerenteller.
Ruitensproeiervloeistof β Vloeistof voor ruitensproeiers om de voorruit schoon te maken van vuil, insecten en wegvuil.
Zitplaats β Een constructie speciaal gebouwd om plaats te bieden aan één volwassene. Een geΓ―mproviseerde zitplaats of een zitplaats uitsluitend voor gebruik bij stilstand telt niet mee.
Autogordel β Een veiligheidsmiddel dat inzittenden beschermt bij plotselinge stops of botsingen. Een driepuntsgordel loopt over schouder en heup; het dragen van een driepuntsgordel als heupgordel is niet toegestaan.
Stadslicht β Lichten met laag vermogen aan voor- en achterzijde, gebruikt bij schemering of bij geparkeerd staan.
Zomerbanden β Banden geoptimaliseerd voor warme omstandigheden, met goede grip op droog en nat wegdek bij hogere temperaturen.
Driepuntsgordel β Een gordel met drie bevestigingspunten die over schouder en heup loopt voor maximale bescherming.
Bandenspanning β De luchtdruk in een band, gemeten in bar of kPa, cruciaal voor veiligheid, grip en brandstofverbruik.
Profieldiepte β De diepte van de groeven in het bandoppervlak; voldoende diepte zorgt voor waterafvoer en weggrip.
Waarschuwingslampje β Een indicator op het dashboard die oplicht om de bestuurder te attenderen op een storing, zoals lage oliedruk of oververhitting.
Gevarendriehoek β Een reflecterende driehoek die op de weg wordt geplaatst om andere bestuurders te waarschuwen voor een stilstaand voertuig of gevaar.
Ruitenwisser β Een met rubber bekleed mechanisme dat regen, sneeuw en vuil van de voorruit verwijdert.
Buitenspiegel β Een zijspiegel aan de buitenkant van een voertuig, gebruikt om verkeer achter en naast het voertuig te observeren.
Winterbanden β Banden met een speciaal rubbersamenstelling en profielpatroon voor koude omstandigheden, die betere grip bieden op sneeuw, ijs en nat wegdek. Gemarkeerd met een sneeuwvloksymbool.
Slijtage β De geleidelijke achteruitgang van voertuigonderdelen (banden, remmen, enz.) door wrijving, gebruik en omgevingsfactoren.
Rijvaardigheden en Gedrag
Rijvaardigheid β De vaardigheid en bekwaamheid om een voertuig veilig te besturen, inclusief kennis van regels, voertuigbeheersing en het reageren op gevaren.
Reactievermogen β Het vermogen om snel en correct te reageren op veranderende verkeerssituaties tijdens het rijden.
Anticiperen β Vooruitkijken en mogelijke gevaren of veranderingen in het verkeer inschatten om proactief te reageren en ongevallen te voorkomen.
Aquaplaning β Verlies van bandgrip doordat een waterlaag zich vormt tussen band en wegdek, met als gevolg verlies van stuur- en remcontrole.
Autopech β Een mechanisch defect dat het voertuig onbruikbaar maakt en pechhulp of reparatie vereist.
Pech-hulpdienst β Een dienst die hulp biedt langs de weg, waaronder slepen en noodreparaties aan gestrande automobilisten.
COβ-uitstoot β De hoeveelheid kooldioxide die vrijkomt bij het verbranden van brandstof in een voertuig, wat bijdraagt aan klimaatverandering en luchtvervuiling.
Rijles β Een praktijkles met een gekwalificeerd instructeur om veilig leren rijden.
Handsfree bellen β Het gebruik van een mobiele telefoon via Bluetooth of ingebouwd systeem tijdens het rijden, om afleiding te beperken in vergelijking met handheld gebruik.
Handheld apparaatgebruik β Het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat (telefoon, tablet, mediaspeler) tijdens het rijden, wat verboden is wegens gevaarlijke afleiding.
Navigatiesysteem β Een elektronisch GPS-apparaat of app dat routeplanning en stapsgewijze navigatie biedt.
Reactietijd β De tijd tussen het waarnemen van een gevaar en de fysieke reactie (bijv. het intrappen van het rempedaal).
Achteruitrijden β Het manoeuvreren van een voertuig in achterwaartse richting, bijvoorbeeld bij het parkeren of een keerbeweging.
Wegligging β Het vermogen van een voertuig om tractie en stabiliteit te behouden, met name in bochten, bij het remmen of op oneffen wegdek.
Spoorvorming β Diepe groeven in het wegdek veroorzaakt door herhaald zwaar verkeer, die water kunnen vasthouden en de grip verminderen.
Zijwind β Wind die dwars op de rijrichting blaast, wat voertuigen zijwaarts kan duwen en de stabiliteit beΓ―nvloedt β met name bij hoge voertuigen.
Stopafstand β De totale afstand van het moment dat een bestuurder een gevaar waarneemt tot het moment dat het voertuig stilstaat, bestaande uit reactieafstand plus remweg.
Claxonneren β Het gebruik van de claxon om andere weggebruikers te waarschuwen voor gevaar.
Warmdraaien β De motor op bedrijfstemperatuur laten komen voor het wegrijden, voor efficiΓ«nte smering en prestaties.
Weersomstandigheden β Atmosferische factoren (regen, sneeuw, mist, wind, temperatuur) die de rijveiligheid en het voertuiggedrag beΓ―nvloeden.
Borden, Signalen en Wegmarkeringen
Onderbroken streep β Een streepjeslijn die van rijstrook wisselen en inhalen toestaat.
Verdrijvingsvlak β Zie sectie Weginfrastructuur hierboven.
Matrixbord β Een elektronisch bord boven de weg dat variabele berichten, snelheidslimieten of rijstrookinstructies in real time toont.
Geslotenverklaring (verbodsbord) β Een bord dat voertuigen verbiedt een weg of gebied in te rijden.
Doorgetrokken streep β Een ononderbroken wegmarkering die het overschrijden, van rijstrook wisselen of inhalen over het algemeen verbiedt.
Snelheidscontrole β Handhaving van snelheidslimieten door de politie via camera's of mobiele controles.
Stopbord β Een verplicht bord dat bestuurders opdraagt volledig te stoppen en voorrang te verlenen alvorens door te rijden.
Symbool β Een grafisch pictogram op een verkeersbord, kaart of instructiemateriaal dat informatie of een waarschuwing overbrengt.
Verkeersbord β Een visueel communicatiemiddel langs wegen dat regels, waarschuwingen of richtingen communiceert aan weggebruikers.
Personen en Deelnemers
Blinde persoon met witte stok met rode ringen β Een visueel beperkte voetganger die een witte stok met rode markeringen gebruikt om te navigeren en obstakels te detecteren.
Bestuurder β Elke weggebruiker behalve een voetganger. Voor motorvoertuigen specifiek: de persoon die het voertuig bestuurt, of (bij voertuigen met B/C/D/E-rijbewijs met dubbele bediening) de instructeur die lesgeeft of de examinator die een rijexamen afneemt.
Bestuurders β Alle weggebruikers behalve voetgangers.
Beginnend bestuurder β Een persoon die zijn/haar rijbewijs binnen de laatste 5 (of 7) jaar heeft behaald, onderworpen aan aanvullende regels en beperkingen.
Inzittenden β Alle personen in een voertuig, inclusief de bestuurder en passagiers.
Tegenpartij β De andere betrokken partij bij een verkeersincident of botsing.
Passagier β Een persoon die in een voertuig reist maar niet de bestuurder is.
Vergunninghouders β Personen of voertuigen die gemachtigd zijn om specifieke faciliteiten (bijv. gereserveerde parkeerplaatsen) te gebruiken op basis van een geldige vergunning.
Voetganger β Een persoon die te voet gaat.
Bestuurder veegwagen β De bestuurder van een straatreinigingsvoertuig.
Verkeersslachtoffer β Een persoon die gewond raakt, letsel oploopt of overlijdt als gevolg van een verkeersincident.
Juridische en Administratieve Begrippen
APK (Algemene Periodieke Keuring) β De verplichte periodieke voertuigkeuring die veiligheid en milieunaleving waarborgt.
Ademanalyse β Een laboratoriumkwaliteitstest die de exacte alcoholconcentratie in de adem van een persoon meet, uitgevoerd op het politiebureau.
Ademtest β Een screening langs de weg om het bloedalcoholgehalte te schatten aan de hand van een ademmonster.
Bevoegd gezag β De autoriteiten zoals omschreven in artikel 18, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Dag β De periode tussen zonsopgang en zonsondergang.
Rijgedrag β Het gedrag van een bestuurder achter het stuur, inclusief naleving van regels, interactie met andere weggebruikers en algemene rijvaardigheid.
Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) β Een verplichte CBR-cursus voor bestuurders die worden betrapt op rijden met een verhoogd alcoholgehalte.
Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) β Een verplichte CBR-cursus voor bestuurders die ernstige snelheids- of gedragsovertredingen begaan.
Diensten voor spoedeisende medische hulpverlening β Ambulancediensten die krachtens de Wet ambulancevervoer vergunning hebben, alsmede voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die in opdracht van een centrale post eerstelijns spoedeisende hulp verlenen.
Ligplaats β Zoals omschreven in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.
Groene kaart β Een internationaal verzekeringsbewijs met alle verzekeringsgegevens, aanbevolen (maar niet verplicht in de meeste EU/EER-landen) bij het rijden in het buitenland.
Gevaarlijke stoffen β Materialen die een risico vormen voor gezondheid, veiligheid, eigendom of het milieu en die speciale behandeling vereisen bij transport.
Identiteit β De unieke kenmerken die een persoon of object onderscheiden, gebruikt voor identificatie in juridische, administratieve of sociale context.
Verlicht transparant β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel bb1, van de Regeling voertuigen.
Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) β Een lichtere CBR-cursus voor eerste of minder ernstige overtredingen met alcohol.
Steenslag β Kleine steenfragmenten die door voertuigen worden opgeworpen of bij wegonderhoud op de weg liggen, met mogelijke schade aan voorruiten en lak.
Nacht β De periode tussen zonsondergang en zonsopgang.
Optische en geluidssignalen β Sirenes, zwaailichten en knipperlichten die door voorrangsvoertuigen worden gebruikt om andere weggebruikers te waarschuwen en voorrang te claimen.
Parkeergelegenheid β Een specifieke locatie aangewezen voor het parkeren van voertuigen, vaak aangegeven door wegmarkeringen of borden.
Politiecontrole β Routinematige inspecties door de politie om naleving van verkeers- en veiligheidsregels te controleren.
Wegwerkzaamheden β Bouw- of onderhoudswerkzaamheden aan wegen, vaak met tijdelijke rijstrookafsluitingen, omleidingen en snelheidsbeperkingen.
Veiligheidscel β Een constructiedeel van een bromfiets, motorfiets of driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel.
Uitwijkroute β Een alternatieve route die bestuurders kunnen nemen om obstakels, files of incidenten op de hoofdweg te vermijden, aangegeven door borden.
Doorzoeken (Fouillering) β Een politieagent mag een voertuig doorzoeken als er redelijke gronden zijn om de aanwezigheid te vermoeden van wapens, gestolen goederen of strafrechtelijk bewijsmateriaal.
Kentekencard β Een document in creditcardformaat, uitgegeven door de RDW, dat de registratie van een voertuig bevestigt met gegevens van de houder en technische data.
Kentekenbewijs β Het officiΓ«le document dat de registratie en eigendom van een voertuig bevestigt, nodig voor registratie, verzekering en eigendomsoverdracht.
Tenaamstellingscode β Een code bij het kentekenbewijs, nodig wanneer een voertuig van eigenaar wisselt.
Overige Examenbegrippen
Verkeersongeval β Een incident met één of meer voertuigen dat resulteert in materiΓ«le schade, letsel of overlijden.
Alcohol β Een psychoactieve stof in dranken die het oordeelsvermogen, de coΓΆrdinatie en de reflexen beΓ―nvloedt, met ernstige risico's bij het rijden.
Omleiding β Een alternatieve route om een obstakel of wegafsluiting te omzeilen.
Rijverbod β Een tijdelijk verbod op het besturen van elk voertuig (inclusief fietsen), met een maximumduur van 24 uur.
Rijontzegging β Een verbod op het besturen van motorvoertuigen voor een bepaalde periode, opgelegd door de rechter of officier van justitie.
Slipgevaar β Een verhoogd risico op verlies van grip door gladde omstandigheden (regen, ijs, olie, sneeuw).
Slip β Verlies van tractie waardoor het voertuig oncontroleerbaar glijdt.
Slepen β Het voortbewegen van een defect voertuig door een ander voertuig of sleepwagen.
Waarschuwingslichten β Knipperende alarmlichten die worden ingeschakeld om andere bestuurders te waarschuwen voor een noodsituatie, pech of langzaam/stilstaand verkeer.
Juridische Begrippen β Naslagwerk
De onderstaande definities zijn afkomstig uit het Nederlandse verkeersrecht. Je hoeft niet elke juridische term woordelijk te kennen voor het examen, maar bekendheid met de betekenis is nuttig.
Ambulance β Motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de Wet ambulancevervoer.
Dierenambulance β Motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren.
Fiets met trapondersteuning β Een fiets voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu maximumvermogen van 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en stopt bij 25 km/u, of eerder als de bestuurder stopt met trappen (Wegenverkeerswet).
Autobus β Een motorvoertuig ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder niet meegerekend.
Busstrook β Een door strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop "BUS" of "LIJNBUS" is aangebracht.
Busbaan β Een rijbaan waarop "BUS" of "LIJNBUS" is aangebracht.
Bedrijfsauto β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel h, van de Regeling voertuigen.
Bevoegd gezag β Zoals omschreven in artikel 18, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Doorgaande rijbaan β Rijbaan zonder invoeg- en uitrijstroken.
Fietsstrook β Door strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht.
Dag β De periode tussen zonsopgang en zonsondergang.
Gehandicaptenvoertuig β Een voertuig ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder dan 1,10 m, zonder motor of met een motor waarvan de maximumsnelheid niet meer dan 45 km/u bedraagt, en geen bromfiets zijnde.
Puntstuk β Een meerhoekig vlak op het wegdek bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen.
Bestuurder van een motorvoertuig β (1) Degene die het motorvoertuig bestuurt, of (2) bij voertuigen met een B-, C-, D- of E-rijbewijs met dubbele bediening: degene die rijonderricht geeft of toezicht houdt bij een rijvaardigheidsonderzoek (met uitzondering van onderzoeken als bedoeld in artikel 131, eerste lid, WVW 1994).
Bestuurders β Alle weggebruikers behalve voetgangers.
Diensten voor spoedeisende medische hulpverlening β Ambulancediensten krachtens de Wet ambulancevervoer, alsmede voertuigen van andere hulpverleningsdiensten die in opdracht van een centrale post eerstelijns spoedeisende hulp verlenen.
Voorrangsvoertuig β Een motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29.
Invoegstrook β Een door blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte, bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden.
Uitrijstrook β Een door blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte, bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten.
Ligplaats β Zoals omschreven in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen.
Haaientanden β Voorrangsdriehoeken op het wegdek.
Voorrang verlenen β De betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen.
Vrachtauto β Een motorvoertuig niet ingericht voor personenvervoer, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg.
Vluchthaven / Vluchtstrook β Een door een doorgetrokken streep van de rijbaan afgescheiden gedeelte langs autosnelwegen of autowegen, bestemd voor noodgevallen β behoudens openstelling als spitsstrook.
Verlicht transparant β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel bb1, van de Regeling voertuigen.
Gehandicaptenvoertuig β Zie hierboven.
Kruispunt β Een kruising of splitsing van wegen.
Overweg β Een kruising van een weg met een spoorweg, aangeduid door bord J12 of J13.
Bestemmingsverkeer β Bestuurders wier bestemming ligt aan of direct naast een weg met een geslotenverklaring voor bepaalde categorieΓ«n, die alleen via die weg bereikbaar is, alsmede bestuurders van lijnbussen.
Autoweg β Een weg aangeduid door bord G3. Langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushaltes maken er geen deel van uit.
Brommobiel β Een bromfiets op meer dan twee wielen, voorzien van een carrosserie.
Militaire kolonne β Een aantal militaire of hulpverleningsvoertuigen onder één commandant, met vastgestelde herkenningstekens.
Bromfiets β Gedefinieerd in meerdere subcategorieΓ«n (2, 3 of 4 wielen) met maximumsnelheden van 25β45 km/u en motorspecificaties conform de Wegenverkeerswet 1994.
Snorfiets β Een bromfiets waarvan uit de registratie blijkt dat de maximumsnelheid niet meer dan 25 km/u bedraagt.
Brombakfiets β Een driewielige bromfiets met twee voorwielen (diameter > 0,40 m), uitsluitend ingericht voor vervoer van bestuurder, goederen en eventueel een achterpassagier.
Motorfiets β Een motorvoertuig op twee wielen, al dan niet met zijspan of aanhangwagen.
Uitvaartstoet van motorvoertuigen β Een stoet van motorvoertuigen die een lijk of de as van een gecremeerd lijk begeleidt, met herkenningstekens als bedoeld in artikel 30c.
Motorvoertuigen β Alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails voort te bewegen.
Autosnelweg β Een weg aangeduid door bord G1. Aangrenzende parkeerplaatsen, tankstations en bushaltes maken er geen deel van uit.
Nacht β De periode tussen zonsondergang en zonsopgang.
Geslotenverklaring β Verbod de betrokken weg in te rijden of te gebruiken.
Parkeren β Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd nodig voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het laden en lossen van goederen.
Parkeerhaven / Parkeerstrook β Een langs de rijbaan gelegen verharding bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen.
Personenauto β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel at, van de Regeling voertuigen.
Wegkanten β De aflopende randen van een rijbaan.
Verkeer β Alle weggebruikers.
Weggebruikers β Voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen of trams, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van bespannen of onbespannen wagens.
Spitsstrook β De vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01.
Veiligheidscel β Een constructiedeel van een bromfiets, motorfiets of driewielig motorvoertuig dat bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel.
Lijnbus β Een motorvoertuig gebezigd voor openbaar vervoer in de zin van de Wet Personenvervoer 2000.
Zitplaats β Een daarvoor speciaal geconstrueerde constructie die plaats biedt aan één volwassene. Mag een afzonderlijke stoel of deel van een bank zijn. GeΓ―mproviseerde zitplaatsen of zitplaatsen uitsluitend voor gebruik bij stilstand tellen niet.
T100-bus β Een autobus waarvan uit het kentekenbewijs blijkt dat deze is ingericht voor een maximumsnelheid van 100 km/u. Gelijkwaardige status geldt voor bussen in andere EU/EER-staten met passende certificering.
Driewielig motorvoertuig β Zoals omschreven in artikel 1.1, onderdeel q, van de Regeling voertuigen.
Verkeersregelaar β Een persoon die als beroep verkeersregelende taken verricht, te onderscheiden van een evenementenverkeersregelaar die eenvoudige taken uitvoert.
Rijstrook β Een door strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan, breed genoeg voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.
Aanhangwagen β Voertuigen die door een ander voertuig worden voortbewogen of daartoe bestemd zijn, inclusief opleggers.
Bestelauto β Een motorvoertuig bestemd voor goederenvervoer met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3.500 kg.
Voertuigen β Fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.