Risico's van andere verkeersdeelnemersVeilig rijden begint met weten wie er nog meer op de weg is. De Nederlandse verkeerswet deelt weggebruikers in verschillende categorieën in, elk met eigen regels, snelheden en verplichtingen. Voor het CBR-examen moet je deze categorieën door en door kennen. Dit artikel behandelt elk type weggebruiker dat je kunt tegenkomen, van voetgangers tot voorrangsvoertuigen.
Een weggebruiker is iedereen die deelneemt aan het verkeer. De Nederlandse wet verdeelt alle weggebruikers in twee hoofdgroepen:
Dat is alles. Ben je geen voetganger, dan ben je een bestuurder. Dit onderscheid is belangrijk omdat voor elke groep andere regels gelden.
Iedereen die zich te voet verplaatst, is een voetganger. Dat geldt ook voor personen die je misschien niet meteen als voetganger zou beschouwen:
Er is één belangrijke uitzondering: een persoon die een paard aan de hand begeleidt, is altijd een bestuurder, ook wanneer diegene te voet loopt.
Gebruikers van een gehandicaptenvoertuig (scootmobiel) worden ook als voetganger behandeld wanneer zij op het voetpad of trottoir rijden.
Waar moeten voetgangers lopen? Op het trottoir of voetpad. Als dat er niet is, mogen zij het fiets-/bromfietspad gebruiken. Is dat er ook niet, dan mogen zij in de berm of langs de kant van de weg lopen.

Alle weggebruikers die geen voetganger zijn, zijn bestuurders. De wet verdeelt bestuurders in vier categorieën:
Elke categorie volgt eigen regels. Het begrijpen van de verschillen is essentieel voor het CBR-examen.
Tot de categorie motorvoertuigen behoren alle voertuigen met een motor — maar de wet sluit een aantal typen nadrukkelijk uit. De volgende worden niet als motorvoertuig beschouwd, ook al hebben ze een aandrijving:
Al deze uitzonderingen vallen onder de niet-motorvoertuigen.
Wat telt dan wel als motorvoertuig? Denk aan personenauto's, elektrische auto's, motorfietsen, vrachtauto's, bussen en landbouwvoertuigen.
Let op: met een motorvoertuig mag je niet rijden op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets-/bromfietspad of het ruiterpad.

Het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV) classificeert bepaalde voertuigen met motor als niet-motorvoertuigen. Dit is een belangrijk juridisch onderscheid, omdat voor deze voertuigen andere regels gelden dan voor motorvoertuigen.
Niet-motorvoertuigen zijn onder meer:
Let op: een motorrijtuig is iets anders dan een motorvoertuig. De Wegenverkeerswet definieert een motorrijtuig als een voertuig dat bedoeld is om niet over rails te rijden en dat geheel of gedeeltelijk wordt aangedreven door mechanische kracht aan boord, of door elektrische tractie met stroom van buitenaf. Fietsen met trapondersteuning zijn hiervan uitgezonderd.
Welke voertuigen zijn motorrijtuigen? Onder meer:
Een paar voorbeelden om het verschil te verduidelijken:
Verzekeringsplicht: elk motorrijtuig moet verzekerd zijn voordat het de weg op mag. Hier bestaan geen uitzonderingen op.
Voorrangsvoertuigen hebben alleen voorrang wanneer zij tegelijkertijd blauwe zwaailichten en een sirene gebruiken. Ook voertuigen die er uiterlijk niet als voorrangsvoertuig uitzien, worden voorrangsvoertuig zodra zij deze signalen activeren.
Voorbeelden van voorrangsvoertuigen:
Een dierenambulance met optische en geluidssignalen is geen voorrangsvoertuig.

Gele zwaailichten maken een voertuig geen voorrangsvoertuig. Gele zwaailichten worden gebruikt bij wegwerkzaamheden of om te waarschuwen voor bijzondere of gevaarlijke situaties. Je ziet ze op straatveegmachines, landbouwvoertuigen en onderhoudsvoertuigen.
Ongeveer 75% van alle verkeersslachtoffers in Nederland zijn kwetsbare weggebruikers. Een kwetsbare weggebruiker is iemand die:
Tot deze categorie behoren:
Kinderen herkennen gevaarlijke situaties vaak niet en stappen of rennen soms zonder te kijken de weg op. Let daarom extra goed op bij scholen, speelplekken en woonstraten. Omdat kinderen kleiner zijn dan volwassenen, vallen ze minder snel op — zeker wanneer ze onverwacht tussen geparkeerde auto's vandaan komen.

Het gedrag van fietsers is niet altijd voorspelbaar: ze veranderen soms van richting zonder dit aan te geven met hun arm. Bij regen, wind of wanneer ze zwaar beladen zijn, hebben fietsers minder grip op hun stuur en wijken ze sneller uit. Houd daarom altijd voldoende afstand en schenk ze extra aandacht.
Bij ouderen nemen het gezichtsvermogen en het gehoor geleidelijk af, waardoor ze verkeer later opmerken. Ook hun reactietijd is vaak langer. Houd er rekening mee dat zij een verkeerssituatie niet altijd direct goed kunnen beoordelen, en geef hun de ruimte om rustig te handelen.
Dieren schrikken snel van motorgeluid, claxons of onverwachte bewegingen. Pas als bestuurder je snelheid aan, houd voldoende afstand en vermijd plotselinge manoeuvres. Haal alleen in als er ruim voldoende ruimte is, met royale zijafstand en op lage snelheid.
Slechtzienden en slechthorenden merken je soms pas op het laatste moment op. Sommigen hebben een (reflecterend) bordje op hun fiets of bij zich om aan te geven dat zij minder goed kunnen zien of horen. Let op deze signalen en pas je rijgedrag aan.
Een bromfietser moet op het fiets-/bromfietspad rijden. Op het fietspad alleen mag de bromfietser niet komen. Wanneer er geen fiets-/bromfietspad is, mag de bromfietser op de rijbaan rijden.
Regels voor bromfietsen:

Maximumsnelheden:
| Locatie | Snelheidslimiet |
|---|---|
| Rijbaan | 45 km/u |
| Fiets-/bromfietspad buiten de bebouwde kom | 40 km/u |
| Fiets-/bromfietspad binnen de bebouwde kom | 30 km/u |
De snorfiets is een lichtere versie van de bromfiets. Een snorfiets mag op het fietspad, het fiets-/bromfietspad of op de rijbaan rijden als geen van beide aanwezig is.
Regels voor snorfietsen:

In bepaalde steden, zoals Amsterdam en Utrecht, geven verkeersborden aan dat snorfietsers op de rijbaan moeten rijden in plaats van op het fietspad. Dit is bedoeld om de doorstroming op fietspaden te verbeteren en de verkeersveiligheid te vergroten.
Een motorfiets is een motorvoertuig op twee wielen, eventueel met zijspan of aanhangwagen. Voor motorfietsen gelden dezelfde snelheidslimieten als voor personenauto's.
Regels voor motorfietsen:
Een brommobiel is een bromfiets op meer dan twee wielen, voorzien van een gesloten carrosserie. Het lijkt op een kleine auto, maar verwar het niet met een gehandicaptenvoertuig.
De bestuurder van een brommobiel moet de regels voor automobilisten volgen, tenzij anders is bepaald.
Regels voor brommobielen:

Een gehandicaptenvoertuig is bedoeld voor mensen met een handicap, maar ook personen zonder handicap mogen er een besturen. Het voertuig mag niet breder zijn dan 1,10 meter. Een gehandicaptenvoertuig is geen bromfiets. Voor een scootmobiel gelden dezelfde regels.
Regels:
Maximumsnelheden:
| Locatie | Snelheidslimiet |
|---|---|
| Voetpad of trottoir | 6 km/u |
| Fiets-/bromfietspad binnen de bebouwde kom | 30 km/u |
| Fiets-/bromfietspad buiten de bebouwde kom | 40 km/u |
| Rijbaan | 45 km/u |

Een e-bike is een fiets met elektrische trapondersteuning. Hiervoor gelden exact dezelfde regels als voor een gewone fiets.
Belangrijke feiten:
Een speed pedelec is een elektrische fiets waarvan de trapondersteuning ook boven de 25 km/u blijft werken. In tegenstelling tot een gewone e-bike valt een speed pedelec onder de bromfietsregels.
Regels voor speed pedelecs:

Maximumsnelheden:
| Locatie | Snelheidslimiet |
|---|---|
| Rijbaan | 45 km/u |
| Fiets-/bromfietspad buiten de bebouwde kom | 40 km/u |
| Fiets-/bromfietspad binnen de bebouwde kom | 30 km/u |
Een autobus is een motorvoertuig dat is ingericht voor het vervoer van meer dan 8 personen, exclusief de bestuurder.
Soorten bussen zijn onder meer lijnbussen, touringcars en T100-bussen.
Maximumsnelheden:
| Locatie | Snelheidslimiet |
|---|---|
| Binnen de bebouwde kom | 50 km/u |
| Buiten de bebouwde kom | 80 km/u |
| Autoweg of autosnelweg | 80 km/u |
| T100-bus op autoweg of autosnelweg | 100 km/u |
Een T100-bus voldoet aan strenge veiligheidseisen en mag daardoor 100 km/u rijden op autowegen en autosnelwegen, terwijl gewone bussen maximaal 80 km/u mogen.
De Segway valt onder de categorie bijzondere bromfiets. Je moet ermee op het fietspad of fiets-/bromfietspad rijden; is dat er niet, dan rijd je op de rijbaan. Voor mensen met een handicap geldt een uitzondering: zij mogen de Segway ook op het voetpad of trottoir gebruiken, waarbij ze zich aan de voetgangersregels houden en niet sneller dan 6 km/u mogen.
Regels voor bijzondere bromfietsen:
Andere voorbeelden van bijzondere bromfietsen zijn de Swing en de Stint.
Een vrachtauto is een motorvoertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, ingericht voor het vervoer van goederen.
Rijbewijsvereisten:

Maximumsnelheden:
| Locatie | Snelheidslimiet |
|---|---|
| Binnen de bebouwde kom | 50 km/u |
| Buiten de bebouwde kom | 80 km/u |
| Autoweg of autosnelweg | 80 km/u |
Een ruiter moet het ruiterpad gebruiken wanneer dat beschikbaar is. Als er geen ruiterpad is, mag de ruiter de rijbaan of de berm gebruiken.
Een ruiter is altijd een bestuurder — ook wanneer hij of zij het paard te voet begeleidt.

Motorrijtuigen met beperkte snelheid (MMBS) rijden niet harder dan 25 of 45 km/u. Voor veel van deze voertuigen heb je een T-rijbewijs nodig.
Voorbeelden zijn straatveegmachines, maaimachines, vorkheftrucks, wegtreintjes en graafmachines.
Geen rijbewijs is nodig voor MMBS-voertuigen die:
Deze voertuigen gebruiken doorgaans gele zwaailichten om andere weggebruikers te waarschuwen.
| Voertuig | Rijbewijs | Leeftijd | Kenteken | Motorvoertuig? | Motorrijtuig? | Verzekering? |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Voetganger | — | — | — | Nee | Nee | Nee |
| Fietser | — | — | — | Nee | Nee | Nee |
| E-bike | — | — | — | Nee | Nee | Nee |
| Gehandicaptenvoertuig | — | — | — | Nee | Ja | Ja |
| Snorfiets | AM | 16 | Blauw | Nee | Ja | Ja |
| Bromfiets | AM | 16 | Geel | Nee | Ja | Ja |
| Brommobiel | AM | 16 | Geel | Nee | Ja | Ja |
| Speed pedelec | AM | 16 | Blauw | Nee | Ja | Ja |
| Auto | B | 17-18 | Geel | Ja | Ja | Ja |
| Motorfiets | A | 18-24 | Geel | Ja | Ja | Ja |
| Vrachtauto | C | 18-21 | Geel | Ja | Ja | Ja |
| Bus | D | 18 | Geel | Ja | Ja | Ja |
| Tractor | T | 16 | — | Ja | Ja | Ja |

Klaar om te oefenen? Test wat je hebt geleerd met examenvragen.